Tien procent of tien procentpunt?
Voorbeeldles · Rekenen en aardrijkskunde · 15–25 min · 6 dia's
Een uitgewerkte, fictieve casus voor Onderbouw vo (breed): Fictieve tellingen op twee dagen: op dag 1 worden 100 reizen geteld, waarvan 20 met de bus. Op dag 2 worden opnieuw 100 reizen geteld, waarvan 30 met de bus. Over de reizigers, het…
De dia's van deze les
1. Lesdoel en succescriteria: Een conclusie heeft bewijs nodig
We gebruiken een zelfgeschreven, fictieve casus. Onderzoek wat de bron wel en niet laat zien. Leg steeds uit waarom je iets denkt.
- Ik kan een uitspraak aan de bron toetsen
- Ik kan een redenering met bewijs verbeteren
Voor de docent: Voorbeeldles van Denkprikkel, circa 15 minuten. De organisatie is fictief. Lees vooraf de opdrachten en het antwoordmodel; pas woorden en ondersteuning aan jouw klas aan. De les is nog niet onafhankelijk door een vakdocent beoordeeld.
2. Uitleg: Bekijk de bron
Fictieve tellingen op twee dagen: op dag 1 worden 100 reizen geteld, waarvan 20 met de bus. Op dag 2 worden opnieuw 100 reizen geteld, waarvan 30 met de bus. Over de reizigers, het weer en de reden voor hun keuze is niets vastgelegd.
Voor de docent: Laat leerlingen eerst zelf lezen, dan in tweetallen overleggen. Ondersteuning: laat gegevens markeren of teken de situatie. Maak onderscheid tussen een waarneming, een mening en een conclusie.
3. Meerkeuzevraag: Welke redenering past?
Hoe beschrijf je de verandering precies?
- Het busaandeel steeg met 10 procentpunt; het aantal getelde busreizen met 50%
- Het aantal busreizen steeg met 10%
- Op dag 2 reisde 50% van iedereen in de stad met de bus
Voor de docent: Laat eerst individueel kiezen en vraag daarna om een onderbouwing uit de bron. Antwoordmodel: De toename is 10 busreizen. Ten opzichte van 20 is dat 10/20 × 100% = 50%. Het aandeel stijgt van 20% naar 30%, dus met 10 procentpunt. Deze tellingen zeggen nog niets over alle reizen in de stad of de oorzaak van de verandering.
4. Spot de denkfout: Spot de AI-fout
Een verzonnen AI zegt: ‘Het aantal getelde busreizen ging van 20 naar 30: een stijging van 10%.’ Welke stap is niet onderbouwd? Gebruik de bron om de redenering te verbeteren.
Voor de docent: De denkfout: De toename is 10 busreizen. Ten opzichte van 20 is dat 10/20 × 100% = 50%. Het aandeel stijgt van 20% naar 30%, dus met 10 procentpunt. Deze tellingen zeggen nog niets over alle reizen in de stad of de oorzaak van de verandering. Laat leerlingen het precieze probleem aanwijzen. Bespreek daarna expliciet de verbetering: de fout is opzettelijk in deze oefening opgenomen.
5. Open vraag: Onderzoek een stap verder
Een wethouder wil op basis van deze twee dagen een buscampagne succesvol noemen. Welke aanvullende gegevens vraag je en waarom?
Voor de docent: Vraag naar meer dagen, een vergelijkbare meetmethode, weersomstandigheden, reizigers en het moment van de campagne. Twee tellingen laten een verschil zien, maar bewijzen niet dat de campagne dit verschil veroorzaakte. Laat percentages met een verhoudingstabel controleren.
6. Open vraag: Jouw beter onderbouwde conclusie
Schrijf twee zinnen: ‘Uit de bron blijkt …’ en ‘We weten nog niet …’. Leg uit welke extra informatie jouw conclusie zou kunnen veranderen.
Voor de docent: Laat leerlingen hun eerste antwoord bijstellen. Geef feedback op bewijs en redenering, niet op snelheid. Vraag naar meer dagen, een vergelijkbare meetmethode, weersomstandigheden, reizigers en het moment van de campagne. Twee tellingen laten een verschil zien, maar bewijzen niet dat de campagne dit verschil veroorzaakte. Laat percentages met een verhoudingstabel controleren.
Gebruik deze les gratis in denkprikkel — leerlingen doen mee met een lescode, zonder account.