Onderzoeksproject (po): lesopzet
Onderwijsconcept · Alle vakken · 45–60 min per les · 9 dia's
Projectmatig werken voor de basisschool. Kinderen verwonderen zich, maken een onderzoeksvraag, zoeken informatie, checken hun bronnen ('spot de denkfout'), trekken een conclusie en presenteren die. Daarna kijken ze terug: wat ging goed, wat doe je volgende keer anders? Bij wereldoriëntatie, burgerschap en digitale geletterdheid. Verdeel de fasen over meerdere lessen en volg de groep met de klassen-functie.
De dia's van deze les
1. Lesdoel en succescriteria: Ons onderzoek
We gaan onderzoeken. Jullie zijn vandaag de onderzoekers.
- Ik kan een onderzoeksvraag maken die je echt kunt uitzoeken
- Ik kan met drie vragen checken of een bron te vertrouwen is
- Ik kan vertellen wat we ontdekten en hoe we dat weten
Voor de docent: Een project duurt meestal meerdere lessen. Gebruik deze opzet als kaart: per les doe je één of twee fasen. Koppel elke les aan dezelfde klas, dan zie je bij Klassen de voortgang over het hele project.
2. Woordenwolk: Verwonderen: wat valt je op?
Wat weet je al? En wat vind je raar, spannend of onduidelijk? Schrijf één woord op.
Voor de docent: Verwonderen is de motor van het project. Laat een foto, voorwerp of kort filmpje zien en vraag: wat zie je, wat denk je, wat vraag je je af? Hulp: geef een zinsbegin ('Ik vraag me af ...').
3. Open vraag: Onze onderzoeksvraag
Maak met je groepje een vraag die je echt kunt uitzoeken. Begin met Hoe, Waarom of Wat. Niet: 'Is dit leuk?' Wel: 'Hoe komt het dat ...?'
Voor de docent: Een goede onderzoeksvraag is open, past bij het onderwerp en is uit te zoeken met boeken, websites of mensen. Bespreek twee vragen klassikaal: kun je deze onderzoeken? Verrijking: laat sterke groepjes een deelvraag toevoegen.
4. Uitleg: Zo check je een bron
Stel bij elke bron drie vragen. 1. Wie heeft het gemaakt? 2. Waarom is het gemaakt? 3. Staat het ook op een andere plek die je vertrouwt?
Voor de docent: Dit is de kern van kritisch denken in het project. Hang de drie checkvragen zichtbaar op. Doe het één keer hardop voor met een echte bron (denk hardop), daarna doen de groepjes het zelf.
5. Spot de denkfout: Spot de denkfout
Sem zegt: 'Dit filmpje is echt waar. Het heeft wel een miljoen likes!' Wat is de denkfout?
- Veel likes betekent niet dat iets waar is
- Filmpjes zijn altijd nep
- Sem moet het filmpje zelf ook liken
Voor de docent: De denkfout: Dat veel mensen iets leuk vinden, zegt niets over of het klopt. Check de maker, het doel en een tweede bron. Kinderen verwarren populair vaak met betrouwbaar. Vraag door: 'Hoe kun je dan wél uitzoeken of het klopt?' Laat ze de drie checkvragen gebruiken.
6. Meerkeuzevraag: Welke bron vertrouw je het meest?
Je zoekt informatie voor jullie onderzoek. Welke bron kies je?
- Een filmpje waarvan je niet weet wie het maakte
- Een informatieboek of kindernieuwssite, en een tweede bron zegt hetzelfde
- Wat een vriend ergens heeft gehoord
Voor de docent: De denkfout: Een bron is sterker als je weet wie hem maakte en als een tweede bron hetzelfde zegt. Dit is de scharniervraag van het project. Kiezen veel kinderen een fout antwoord? Geef dan verlengde instructie aan de instructietafel met twee echte bronnen naast elkaar, voordat de groepjes verder zoeken.
7. Open vraag: Onze conclusie
Wat is jullie antwoord op de onderzoeksvraag? Maak de zin af: 'Wij ontdekten dat ... We weten dat omdat ...'
Voor de docent: Let op het tweede deel van de zin: een conclusie zonder 'hoe weten we dat' is een mening. Hulp: geef een schrijfkader. Verrijking: laat groepjes noemen wat ze nog níet weten.
8. Open vraag: Presenteren: vertel het een ander
Vertel in drie zinnen aan een ander groepje: onze vraag, ons antwoord en hoe we het weten.
Voor de docent: Presenteren hoeft niet groot: twee groepjes tegenover elkaar werkt prima. De luisteraars stellen één vraag: 'Hoe weten jullie dat?' Dat oefent het checken van bronnen nog een keer.
9. Schaalvraag: Terugblik: hoe ging ons onderzoek?
Hoe goed lukte het jullie om een antwoord te vinden dat je kunt bewijzen? 1 = nog niet, 10 = heel goed.
Voor de docent: Bespreek daarna twee vragen: wat ging goed (feedback) en wat doe je bij het volgende project anders (feedforward)? Noteer de tips en gebruik ze bij de start van het volgende project.
Gebruik deze les gratis in denkprikkel — leerlingen doen mee met een lescode, zonder account.